Foto Václav Pechar via Unsplash

In het vorige decennium heb ik me een paar jaar lang intensief beziggehouden met het idee van een onvoorwaardelijk basisinkomen. Onder meer organiseerden we (ik deed dat niet alleen, uiteraard) een kleinschalig experiment met een “gecrowdfund” basisinkomen, en keken we met de gemeente Groningen naar mogelijkheden om bij te verdienen in de bijstand. Doel van dit alles was het gesprek op gang brengen over een onderwerp waarover vrijwel iedereen een mening had, en vrijwel niemand veel kennis.

Na een paar jaar was ik wel klaar met het onderwerp, vooral omdat we niet dichter bij ons doel kwamen. De gesprekken bleven gaan over onbenulligheden. Hoe hoog moet zo’n basisinkomen zijn? Wie gaat dat betalen? Blijven mensen werken als ze gratis geld krijgen? (Antwoord: dat hangt er vanaf.) Het lukte ons niet (en anderen ook niet, trouwens) om de kernvraag goed op tafel te krijgen: heeft iedere burger recht op een menswaardig bestaan, zonder voorwaarden? Want als we dat vinden, dan moet die burger, in een markteconomie, ook voldoende geld hebben, en dan is een basisinkomen een logisch idee. (En als we dat niet vinden, als we vinden dat mensen hun bestaan moeten verdienen, dan moeten we een heel ander gesprek hebben.)

Er zijn mensen, zoals Asha ten Broeke, die de markteconomie zien als een grote truc om de rijken rijker te maken en de armen armer. Als je zo denkt, dan is het basisinkomen een mechanisme om belastinggeld via een aangezwengelde consumptie in de zakken van de kapitalisten te laten verdwijnen. Het is dan slimmer om de dingen die de mensen van zo’n basisinkomen zouden kopen, buiten de markt om te produceren en gratis beschikbaar te stellen. “Dat we de dingen die we nodig hebben voor een goed leven – een huis, gezond eten, zorg, onderwijs, energie, internet, vervoer en juridische hulp – gratis en onvoorwaardelijk beschikbaar stellen aan iedereen”. Zodat we “niet meer met z’n allen gaan betalen voor de winsten van het grootkapitaal”.

Het is makkelijk om hier de draak mee te steken. Bijvoorbeeld door je af te vragen hoe zo’n basispakket eruit ziet, wie dat bepaalt en wie al dat gratis voedsel gaat produceren en waarom. En of we jaarlijks een zak met kleding krijgen, of kledingbonnen, en of je die kleding en die bonnen dan mag verkopen of niet. Maar dat is een beetje flauw, want er zijn natuurlijk ook voorzieningen waarvoor Ten Broeke gelijk heeft. Die je prima buiten de markt kunt organiseren. Of via een goed gereguleerde markt, voeg ik daaraan toe. Onderwijs, zorgverzekering, kinderopvang en openbaar vervoer zijn voor de hand liggende voorbeelden. Maar ook op gebieden als energie en internet zou je kritischer kunnen kijken naar de markt. Is het wel een echte, competitieve markt? Hoe makkelijk kun je bijvoorbeeld van leverancier veranderen als je dat nodig vindt? Is het niet verstandig om op sommige terreinen meer zelfvoorzienend te zijn? Zeker nu zijn dat valide vragen.

“Buiten de markt om” betekent ook niet per definitie dat de overheid het dan maar moet oplossen. We hebben in Nederland een mooie geschiedenis van collectief particulier initiatief: woningbouwverenigingen, ziekenfondsen, landbouwcoöperaties, onderlinge verzekeringsmaatschappijen, noem maar op.

Kortom, nadenken over wat nodig is voor een goed leven en over hoe we daarin minder afhankelijk kunnen worden van het internationale grootkapitaal, dat is best een goed idee.

En, denk ik dan, als je dat allemaal geregeld hebt en zaken als onderwijs, gezondheidszorg en openbaar vervoer voor iedereen (zo goed als) gratis zijn, dan kun je alsnog een casus maken voor een basisinkomen. Er zijn immers allerlei zaken die nodig zijn voor een goed leven waarvan we de productie en distributie echt veel beter aan de markt over kunnen laten.

Maar goed. Als het invoeren van een basisinkomen de wereld slechter af maakt, zoals Ten Broeke beweert, voer dan een negatief basisinkomen in. Daar zou de wereld dan logischerwijs beter van moeten worden. Iedereen een extra belasting van duizend euro per maand! Dat zal ze leren, die grootkapitalisten.