Gisteren heb ik te horen gekregen dat ik niet in aanmerking kom voor een levertransplantatie.

Omdat ik in een vorige post kritisch was over de ziekenhuiscommunicatie zal ik nu beginnen met te zeggen dat dit een uitstekend gesprek was. Twee artsen uit het transplantatieteam namen uitgebreid de tijd om hun beslissing uit te leggen en mijn vragen te beantwoorden. Ik snap het. Ik deel hun conclusie.

Kort samengevat: mijn kanker is te actief. Als geheel is het nu een jaar min of meer stabiel, maar bij elke scan zijn er een paar metastasen die gegroeid zijn. Dit biologisch gedrag van de kanker, zoals zij het noemen, maakt de prognose bij transplantatie ongunstig. In vergelijkbare gevallen blijkt de kanker na transplantatie vaak terug te keren, daarbij profiterend van de medicatie die je krijgt om een afstootreactie van je lichaam op de vreemde lever te voorkomen. Die schakelt namelijk je afweersysteem grotendeels uit. Kortom, er is onvoldoende reden om aan te nemen dat een levertransplantatie mij gaat helpen.

De laatste sluipweg naar mogelijk herstel is nu dus afgesneden. Ik zal doodgaan aan deze kanker, en het zal geen jaren meer duren.

Het geeft ook rust, merk ik. Hoop is nodig, zeggen ze, maar vastklampen kost ook veel energie.

Ik hoop nog steeds op een goede afloop, trouwens. Alleen definieer ik die nu anders.

Ondertussen pruttel ik zo lang mogelijk door. Niets bijzonders, gewoon de dingen die ik deed, daar voel ik me goed bij. Anders had ik wel andere dingen gedaan, tenslotte. En alles doet het nog, dus wat let me.